|
Catalonië werd
een feit toen Guifré el Pelós (Wilfried de Harige)
de oostelijke Pyreneeën tot autonoom gebied verenigde (878
), al
wisten ze toen nog niet dat het Catalonië zou heten, want dat duurde
nog tot het begin van het 2e millennium (grondwet, 1060). Catalonië
maakte vanaf dat moment een stormachtige ontwikkeling door, waarbij
het ook de hegemonie over de Middellandse zee verwierf. Aan deze
periode van economische voorspoed en expansie kwam een einde toen de
Katholieke Koningen Isabella en Ferdinand in beeld kwamen. Na de
vereniging van het koninkrijk met Castilië (1479) - Catalonië was al
eerder (1137) met Aragón verenigd - en de verovering van Zuid Spanje
op de Moren (1492), verschoof de macht naar Madrid en daarmee was de rol
van Barcelona uitgespeeld. De Catalanen werden gedwongen tegen de
Fransen te vechten (Dertigjarige Oorlog), maar dat wilden ze niet. In
1640 kwamen ze in opstand en segadors (maaiers) doodden de onderkoning.
Ze sloten een verbond met de Fransen waarop Filips IV Barcelona
belegerde en weer innam. In 1714 ging het opnieuw fout tussen Madrid
en Barcelona. De dood van de kinderloze Carlos II (1700) was
aanleiding voor de Spaanse Successieoorlog, een strijd tussen de
Habsburgers en de Bourbons om de troon. Barcelona steunde de
Habsburgers en dat werd hen noodlottig, want de nieuwe Bourbon-koning
Filips V nam daarom op 11 september 1714 de stad in en maakte een
einde aan de Catalaanse identiteit. Tijdens de Catalaanse
Renaissance, een bloeiperiode als gevolg van de industriële
revolutie, groeide er weer een onafhankelijkheidsgevoel in
Catalonië, waar Franco echter hardhandig een einde aan maakte. Het
zou duren tot zijn dood (1975) eer de democratie werd hersteld. In
1977, na de eerste democratische verkiezingen in Spanje, wordt Josep Tarradellas aangewezen als de nieuwe president van de Generalitat
en krijgt Catalonië weer een autonome regering.
|